Relevante publicaties van Bernard Sprock
- "Verslavingszorg in Nederland": Bernard Sprock; Maandblad Geestelijke volksgezondheid; oktober 2004.
- "Zelfhulp en verslaving": Bernard Sprock; Maandblad Geestelijke volksgezondheid; juli/augustus 2001.
- "Zelfhulpgroepen in Nederland": Bernard Sprock; Handboek Verslaving, B 8020, BSL; 2000.
- "Zelfhulpgroepen en verslavingen": K. Geelen, D. Greshof, D. Postma, B. Sprock; Trimbosinstituut/UvA; 2000.
Verslavingszorg in Nederland
Het aanpakken van een verslaving wordt vaak onderschat. Door de mensen die er zelf geen ervaring mee hebben, door de verslaafden zelf en in het algemeen zelfs door de reguliere verslavingszorg.
Als het criterium voor succes bij het aanpakken van een verslaving is, dat de verslaafde weer een reële kans heeft om te kunnen leven zoals hij zou willen, dan is een tweetraps ontwikkeling nodig. De eerste trap is stoppen met het gebruik. In de praktijk blijkt dat de meeste energie die iemand te besteden heeft gedurende de eerste weken tot maanden gaat zitten in het volhouden van het niet gebruiken van middelen. Naarmate de abstinentieperiode vordert komt meer energie vrij die kan worden ingezet voor de persoonlijke ontwikkeling: de tweede trap. Omdat een verslaving levensbreed en levensdiep is, komt dat neerop een complete heroriëntatie van alles wat belangrijk is in het leven. De enige die dat kan doen is de verslaafde zelf. Dit maakt ook duidelijk dat abstinentie noodzakelijk is, althans als het criterium een reële kans op een kwalitatief goed leven is. Zelfs als een verslaafde erin zou slagen minder te gaan gebruiken (een kansarm project op enige termijn) dan is hij of zij noch gemotiveerd noch in staat om echt iets nieuws te leren. De eerstkomende kans om zich eindelijk weer eens te laten gaan, blijft een obsessie en iemand met zo'n obsessie leert niets essentieels.
Iemand die bezig is zijn verslaving aan te pakken kan dat niet alleen. Van doorslaggevend belang zijn 'peers', mensen die een soortgelijke persoonlijke ontwikkeling doormaken. De essentiële functie die peers hebben kan nooit worden overgenomen door opgeleide professionals, hoe goed en op welk gebied ze ook opgeleid zijn. De verslaafde moet zelf op zoek naar zijn hoogstpersoonlijke plaats in de wereld en in dit leven. Gelukkig zijn er zo veel mogelijkheden in het leven dat geen enkele wetenschap - en ook het totaal daarvan niet - kan bepalen hoe iemand leven moet. Ieder mens, bij zinnen en nuchter of clean, moet dat zelf doen.
Effectonderzoek
Het lijkt hoog tijd dat ook de professionele verslavingszorg gaat doen wat alle maatschappelijke sectoren horen te doen: het serieus evalueren van de eigen verrichtingen. Tot nog toe komt effectonderzoek voornamelijk neer op (eventueel veredeld) satisfactieonderzoek. Men vraagt dan naar meningen van cliënten en naar goede bedoelingen, niet naar harde feiten. Als een dergelijk onderzoek dan ook nog wordt uitgevoerd aan het einde van een klinische periode omdat de cliënt dan nog gemakkelijk bereikbaar is, zegt het niets over feitelijk gedrag in de toekomst. Er dient dus objectief en kwalitatief effectonderzoek plaats te vinden na een aantal maanden en nogmaals na enkele jaren.
Behandelen en nazorg?
Het basismodel van professioneel handelen van de Nederlandse verslavingszorg en de bijbehorende terminologie komen opvallend overeen met die van de lichamelijke gezondheidszorg. Dat is historisch zo gegroeid maar wellicht is het tijd om een aantal van die impliciete uitgangspunten nader onder de loep te nemen.
Lichamelijk zieke mensen hebben zorg nodig. Simpel en duidelijk; hier is het begrip zorg verregaand van toepassing. In de sector verslaving ligt de zaak anders. Natuurlijk zijn er verslaafden die in een bepaalde fase van hun leven zorg nodig hebben, met name als ze er lichamelijk slecht aan toe zijn. Als verslaafden echter fysiek weer enigszins zijn opgekrabbeld, is 'zorg' volstrekt onvoldoende om gedragsverandering teweeg te brengen. De meeste verslaafden zijn soms eerder gebaat bij een figuurlijke schop onder hun achterwerk. De timing en vormgeving van die verbale schop dient overigens vakwerk te zijn.br />
Artsen kunnen patiënten met een lichamelijk probleem voortreffelijk behandelen. De medewerking van de patiënt is daarbij niet of nauwelijks vereist. Mocht de patiënt tegenstribbelen, bijvoorbeeld wegens pijn, dan kan narcose toegediend worden en als de patiënt is bijgekomen is de behandeling achter de rug. Bij een verslaving ligt de zaak totaal anders. Een instelling of verslavingszorgwerker kan een verslaving volstrekt niet behandelen in de zin van een interventie die wordt uitgevoerd waarna de patiënt behandeld zou zijn. Een interventie op welk gebied? Binnen de geest van een verslaafde? Rechtstreeks programmeren van toekomstig gedrag?
Of het ons als samenleving nu welgevallig is of niet, de kern van de zaak is het volgende: de enige die een verslaving kan aanpakken, de enige die het gedrag van een verslaafde kan veranderen, is de verslaafde zelf. En niemand of niets anders.
Dit is niet alleen maar scherpslijperij over de inhoud van woordjes als behandeling en interventie. Het is een absoluut essentieel aspect van de aanpak van een verslaving. Verslaafden moeten er derhalve van worden doordrongen dat ze zelf de enigen zijn die echt iets kunnen doen aan hun eigen verslaving. Alleen dan zal een aantal van hen daadwerkelijk in actie komen en bestaat een realistisch uitzicht op succes. In de huidige toestand van de Nederlandse verslavingszorg gebeurt het te vaak dat verslaafden zich laten opnemen in een kliniek in de verwachting dat, naar analogie van een klinische opname in de lichamelijke gezondheidszorg, de behandeling na ontslag achter de rug zal zijn en dat dan alles is gedaan dat gedaan kan worden - ook als ze uitsluitend hun tijduitzitten en in het geheel niets zelf ondernemen. Met zo'n inactieve houding leren mensen niets. Er verandert dus ook niets en na hun ontslag uit de kliniek zitten de meesten derhalve al snel weer in de kroeg, bij de dealer, achter de gokkast of wat dies meer zij. Ze hebben nog steeds niet geleerd dat ze wat moeten gaan doen. En al helemaal niet wat ze dan kunnen gaan doen.
In dit licht bezien is het een gotspe om te spreken van behandeling en nazorg. Dat suggereert op z'n zachtst gezegd dat gedurende de behandeling in veel, zo niet alles is voorzien dat nodig is om een verslaving de baas te kunnen worden. Daarna zou nog slechts wat incidentele aandacht nodig zijn. Maar het grootste deel van de klus - de tweede trap: het leren leven op een nieuwe manier - begint dan pas. Natuurlijk kan gedurende een opname een basis gelegd worden voor die nieuwe leefstijl maar de echte oefening in de praktijk, de training en mede op basis daarvan de verdere ontwikkeling, moeten dan nog gestalte krijgen. Er ontstaat pas een nieuw dynamisch evenwicht als dit hele proces van persoonlijke ontwikkeling zich heeft verankerd in de levenswijze en in de persoon van de (voormalige?) verslaafde. De praktijk leert dat het bereiken van dit nieuwe evenwicht wel een paar jaar kost.
Knowhow
De Nederlandse verslavingszorg heeft voldoende, met name medische, expertise in huis om vooral de eerste trap van de verslavingsaanpak het ontnuchteren of clean worden, te begeleiden. Maar ten aanzien van de tweede trap schiet men volstrekt tekort. Dat kan ook niet echt anders omdat van professionals niet verwacht kan worden dat ze iedere verslaafde jarenlang aan het handje door het nieuwe leven voeren, als dat al mogelijk zou zijn. Het kan niet anders dan dat iemand die verslaafd is na enige tijd zelf de touwtjes weer in handen neemt en ook daadwerkelijk zijn eigen leven weer gaat leiden.
De ervaring leert dat niemand dat volledig solo kan. Er moet een potentieel inspirerende, zeer herkenbare sociale omgeving zijn waarbinnen mensen hun persoonlijke ontwikkeling kunnen voortzetten. Dat gespecialiseerde netwerk wordt geleverd door de ervaringsgroepen, ook wel zelfhulpgroepen genoemd. Daar is de knowhow, de levenservaring en soms zelfs de levenswijsheid aanwezig waardoor mensen die daarnaar op zoek zijn, hun eigen leven kunnen vormgeven.
Met andere woorden, de knowhow en de omstandigheden die noodzakelijk zijn voor het ontwikkelen van een nieuwe manier van leven zijn aanwezig binnen de ervaringsgroepen en volstrekt onvoldoende binnen de huidige verslavingszorg. Dat kan ook niet volledig van de zorg verwacht worden door de langdurigheid, complexiteit en veelomvattendheid van deze fase. Omdat het gaat om een onontbeerlijk onderdeel van de verslavingsaanpak is het noodzakelijk dat beide werkwijzen zo goed mogelijk op elkaar gaan aansluiten.
Zorg en ervaringsgroepen zijn complementair en ze dienen zo rimpelloos mogelijk op elkaar aan te gaan sluiten.
Bernard Sprock,
verslavingspsycholoog, Amsterdam
oktober 2004 |